
Het hoort bij de ergste dingen die ouders kunnen meemaken: stilgeboorte. Dat betekent dat de baby overlijdt in de buik of tijdens de bevalling.
Er komt heel veel op je af als je baby overlijdt. Je moet een bevalling doorstaan van een kindje dat niet leeft. Je ontmoet je baby en tegelijk begint het afscheid.
Dit artikel is er om te helpen met informatie. Je kan lezen wat een stilgeboorte inhoudt en wat er voor, tijdens en kort na de bevalling gebeurt. Er is ook een artikel over afscheid nemen van een overleden baby.
Stilgeboorte betekent dat de baby in de buik of tijdens de bevalling overlijdt na 16 weken zwangerschap. Tot 16 weken zwangerschap heet het verlies van een baby officieel: een miskraam. Daarna is de medische term: intra-uteriene vruchtdood (IUVD). Intra betekent ‘in’, uterien betekent ‘baarmoeder’ en vrucht is een woord voor ongeboren baby. Na 24 weken zwangerschap gebeurt dit bij ongeveer 500 gezinnen per jaar in Nederland. Dat zijn 3 op de 1000 zwangerschappen.
Zwangerschapsafbreking met een medische reden betekent ook dat de baby overlijdt. Dit kan in Nederland tot 24 weken. In dit artikel vind je meer informatie. Daarnaast kan een baby overlijden door een veel te vroege geboorte. Over vroeggeboorte kan je hier meer lezen.
Hoe ouders het verlies van hun baby ervaren, hangt niet af van de manier van overlijden. Of van het aantal weken dat de zwangerschap duurde. Je kan niet zeggen: hoe meer weken, hoe erger het is. Alleen de ouders zelf weten wat ze doormaken en wat het voor ze betekent.
Meestal gebruiken ouders zelf liever geen medische termen voor het verlies van hun baby. Het woord ‘stilgeboorte’ wordt vaak gebruikt. Het kindje komt stil ter wereld. Ook ‘verliesgeboorte’ is een bekende term.
Als een baby overlijdt, is de schok bij ouders enorm. Een van de dingen zij willen weten is: hoe heeft dit kunnen gebeuren? Vaak is er geen antwoord op die vraag. Soms wordt het duidelijk uit onderzoek voor of na de geboorte. Dit kunnen oorzaken van een stilgeboorte zijn (maar dat hoeft niet):
Tijdens controles luistert de verloskundige naar het hartje van de baby. Als er geen hartslag te horen is, hoeft dit niet te betekenen dat je baby niet meer leeft. Dit wordt verder onderzocht door een gynaecoloog. Die kijkt met een echo. Als het hartje niet klopt op de echo en er geen bloed door de navelstreng stroomt, betekent dit dat de baby is overleden. Soms heeft een moeder dit gemerkt doordat haar baby niet meer bewoog.
De schok van het overlijden van een baby is enorm. In die ontreddering moet je de bevalling doormaken. De verloskundige en andere zorgverleners zijn er om hierbij te helpen. Zij kunnen uitleggen wat er gaat gebeuren en helpen hier keuzes bij te maken.
Ouders die dit overkomt vragen soms meteen om een keizersnede. Dan hoeft de moeder geen weeën te doorstaan en is de bevalling snel voorbij. Al is het goed te begrijpen, artsen doen dit liever niet. Een keizersnede is een grote operatie, met risico's voor de moeder. Daarnaast kan het ervaren van weeën en een vaginale geboorte helpen bij het rouwproces. Het geeft sommige vrouwen houvast dat ze iets kunnen doen in een situatie waar ze geen invloed op hebben gehad. Sommige vrouwen ervaren de lichamelijke inspanning als iets wat zij voor hun baby kunnen doen.
Je kan afwachten tot je baby vanzelf wordt geboren of ervoor kiezen om de bevalling op gang te brengen (inleiden). Meestal gebeurt dit niet direct. Vaak adviseert de arts ouders om eerst naar huis te gaan. Dan ben je bij de eerste heftige emoties in je eigen omgeving. Ook geeft het tijd om na te denken over beslissingen die genomen moeten worden. Of als er oudere kinderen zijn, hen op te vangen en oppas te regelen.
Als er geen medische reden is om direct te bevallen, kan je in overleg met je zorgverlener besluiten om af te wachten tot de bevalling vanzelf begint. Soms is dit na een paar dagen, maar het kan ook een aantal weken duren. Je krijgt dan regelmatig controles in het ziekenhuis, om te beoordelen of afwachten medisch veilig is voor jou. Als een baby al een tijd voor de geboorte is overleden, verandert het uiterlijk. Ook kan het invloed hebben op de mogelijkheid om de baby te onderzoeken na de geboorte. Dat zijn ook dingen om rekening mee te houden.
Bij een inleiding worden de weeën opgewekt. Meestal gebeurt dit met medicijnen. Een ingeleide bevalling kan langer duren, vooral bij een kortere zwangerschap. Je hebt dan niet de hele tijd weeën, maar het duurt langer tot de weeën beginnen. Dat komt doordat de baarmoeder er nog niet klaar voor was. De geboorte van de placenta kan vroeg in de zwangerschap moeilijker gaan. Soms moet de gynaecoloog de placenta verwijderen op de operatiekamer. Dit gebeurt onder narcose (je wordt in slaap gebracht).
Als je medicijnen tegen de pijn van de weeën wilt, kan dat. In het ziekenhuis waar je gaat bevallen kunnen ze je vertellen welke medicijnen ze daar geven. Meestal zijn dit de opties:
Als je weet dat je baby na de bevalling niet zal leven, wil je misschien dingen doen om je voor te bereiden. Je kan bijvoorbeeld nog een zwangerschapsfotoshoot doen, als herinnering. Als je baby nog leeft in de buik, kan je een geluidsopname maken van de hartslag. Dit kan je doen terwijl de verloskundige de hartslag laat horen met de doptone (het apparaatje waar ze mee luistert). Of je kan een extra echo laten maken.
Daarnaast kan je nadenken over wat je tijdens de bevalling wel en niet wilt. Je hoeft niet alles van tevoren te besluiten. Veel keuzes kan je ook tijdens of na de bevalling maken. Dan helpt het als je erover hebt nagedacht of advies hebt gekregen. Je verloskundige kan je hierbij ondersteunen. Hier kan je bijvoorbeeld aan denken:
Vroeg in de zwangerschap ziet een baby er anders uit dan rond de uitgerekende datum. De baby is dan nog erg klein en dun. Het hoofdje kan een andere vorm hebben, doordat de schedel nog zacht is. De huid kan wat donkerder van kleur zijn. Dat komt doordat de huid vroeg in de zwangerschap erg dun is. Je ziet de bloedvaatjes. De huid is ook kwetsbaar. Na een tijdje kan de huid op sommige plekken loslaten. Dit ziet eruit als rimpelen of vervellen. Ook kunnen er donshaartjes op de huid zitten. Na de geboorte voelt de baby nog even warm aan.
Als je het eng vindt om je baby te zien of vast te houden, kan de gynaecoloog, verloskundige of verpleegkundige je begeleiden. Zij kunnen je meer vertellen over wat je kan verwachten. Ze kunnen na de geboorte ook eerst naar je baby kijken en vertellen wat ze zien. Dan kan je daarna zelf kijken, als je dat wilt. Het zien en vasthouden van je baby kan helpen bij het afscheid nemen en rouwen.
Na de geboorte kan je ervoor kiezen om je baby te laten onderzoeken. De medische term hiervoor is: obductie. Een gespecialiseerde arts kijkt of er afwijkingen te zien zijn bij je baby, de placenta of de navelstreng. Dit kan informatie geven waarom je baby is overleden. Soms geeft het ook informatie die belangrijk kan zijn als je opnieuw zwanger wil worden. Het onderzoek is niet verplicht. De arts kan je uitleggen hoe het onderzoek gaat. Je kan ook besluiten om sommige delen van het onderzoek wel te doen en andere niet.
Na de bevalling kan je je baby mee naar huis nemen of je baby kan in een speciale kamer in het ziekenhuis blijven. Hier kan je meer lezen over deze opties en het afscheid.
Na een stilgeboorte doet het lichaam van een moeder hetzelfde als wanneer de baby leeft. Je lichaam moet herstellen van de bevalling. Je kan naweeën hebben, die ervoor zorgen dat je baarmoeder krimpt. Op de plek waar de placenta in de baarmoeder zat, zit een wond die moet genezen. Daardoor verlies je bloed uit je vagina.
De verloskundige komt bij je thuis langs voor controles, om te kijken of het lichamelijke herstel goed gaat. Vanaf 24 weken zwangerschap heb je ook recht op kraamzorg. Dit wordt vergoed vanuit de basisverzekering. Bij een kortere zwangerschapsduur vergoeden sommige zorgverzekeringen ook kraamzorg.
Een paar dagen na de bevalling kan je last krijgen van stuwing. Dat betekent dat je borsten moedermelk aanmaken. Na vier tot vijf dagen stopt de aanmaak van melk.
Terwijl er lichamelijk veel gebeurt, staat de kraamweek ook in het teken van afscheid nemen. De kraamzorg en de verloskundige kunnen je emotionele steun en praktische hulp bieden. Over afscheid nemen en de begrafenis of crematie kan je meer lezen in dit artikel.
Na 24 weken zwangerschap is het wettelijk verplicht om aangifte te doen van de geboorte en het overlijden van je baby. Vóór 24 weken hoeft dit alleen als je baby 24 uur of langer heeft geleefd na de geboorte. De aangifte moet binnen drie werkdagen worden gedaan bij de gemeente waar je bent bevallen. Je mag dit zelf doen of aan iemand anders vragen, bijvoorbeeld een familielid of de uitvaartbegeleider.
Er wordt een ‘akte van geboorte (levenloos)’ gemaakt, met de naam van je baby, het adres en de datum van overlijden. Als het je eerste kind is, mag je de achternaam van jou en/of je partner kiezen.
Ook kan je je baby inschrijven in de Basisregistratie Personen (BRP). Dan is je baby officieel geregistreerd als jouw kind. Dit kan je ook later regelen. Het hoeft niet binnen een bepaalde tijd na de geboorte, maar mag ook jaren later nog.
Ouders ervaren een achtbaan aan emoties als hun baby overlijdt. De schok kan meteen groot verdriet geven, maar ook ongeloof en een verdoofd gevoel. Je kan eerst in de regelmodus gaan. Je kan ineens door wanhoop worden overvallen. Je kan opgelucht zijn als de geboorte achter de rug is. Ouders voelen dezelfde liefde en trots voor hun baby als wanneer een kindje leeft. Je kan je schuldig voelen, ook al heb je geen schuld. Het kan woedend maken dat jou dit overkomt. En er zijn gevoelens waar je (nog) geen woorden voor weet. Het kost tijd om te gaan begrijpen wat je is overkomen, wat dat betekent en hoe het verder moet. In dit artikel kan je meer lezen over rouw om een overleden baby.
De verloskundige is er om ouders bij te staan als hun baby overlijdt. Ze kan uitleg geven over wat er gaat gebeuren en welke keuzes voor de bevalling er te maken zijn. Ze kan een luisterend oor en troost bieden. Bij de bevalling is een verloskundige aanwezig. Dit kan een verloskundige van het ziekenhuis zijn of de verloskundige die de zwangerschap begeleidde. Of allebei. Dat hangt af van de situatie. De verloskundige kan foto's maken en voor je opschrijven wat er gebeurt. Dit kunnen belangrijke herinneringen zijn voor later.
NVOG. (2011). INTRA-UTERIENE STERFTE [Methodiek]. https://www.nvog.nl/wp-content/uploads/2022/08/Intra-uteriene-sterfte-1.0-21-09-2011.pdf
NVOG. (z.d.). Begeleiding bij foetale sterfte en doodgeboorte. In NVOG-richtlijn (pp. 1–5). https://www.nvog.nl/wp-content/uploads/2018/02/Begeleiding-bij-foetale-sterfte-en-doodgeboorte-1.0-22-05-2014.pdf
Unknown, E. (z.d.). Afscheid nemen van je baby. In Unknown. https://www.stillelevens.nl/wp-content/uploads/52073_Brochure_Afscheid_van_je_baby.pdf
Perined, Utrecht, 2022, geraadpleegd via: www.peristat.nl, op datum 29-12-2025
Verlies van een kind tijdens de zwangerschap of rond de bevalling. (z.d.-b).
KNOV Handreiking Begeleiding bij Babysterfte en informatie van de NVOG.